1.       Verslag op tijd?
Ingevolge artikel 12.20, eerste lid, Wm wordt het Integraal PRTR-verslag uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het verslagjaar langs elektronisch weg verzonden. Indien het verslag op 31 maart niet binnen is, is er sprake van een overtreding.  

2.       Voornemenbrief
De start van het handhavingstraject bestaat uit de constatering dat geen elektronisch verslag is ingediend. Wanneer geconstateerd is dat een bedrijf het integraal PRTR-verslag niet tijdig heeft verzonden, verstuurt het bevoegd gezag een brief aan het bedrijf waarin hij aankondigt voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen (zie voorbeeldbrief 1).

3.       Verslag ontvangen?
Wanneer het bedrijf de overtreding vervolgens beëindigt, wordt aan het bedrijf mededeling gedaan dat ten aanzien van de tijdigheid afgezien wordt van verdere bestuursrechtelijke handhaving  (zie voorbeeldbrief 2).

4.       Opleggen LOD 
Wanneer na de voornemenbrief geen integraal PRTR-verslag wordt ingediend, wordt ingevolge artikel 18.2, eerste lid, of artikel 18.2g Wm, in verbinding met artikel 18.7 Wm, of artikel 8.7 Wtw, in verbinding met artikel 18.7 Wm, een last onder dwangsom aan het bedrijf opgelegd (zie voorbeeldbrief 3). Er is dan sprake van een voortdurende overtreding.

Bij het opleggen van een last onder dwangsom dient rekening te worden gehouden met het doel van de dwangsom. De hoogte moet voldoende prikkel geven tot naleving van de norm. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het economisch voordeel dat een bedrijf kan hebben bij de overtreding. Het richtinggevend bedrag van de dwangsom bedraagt per dag € 1.000,-, met een maximum van € 14.000,- en een begunstigingstermijn van twee weken.

Wanneer het bedrijf de overtreding vervolgens beëindigt wordt aan het bedrijf mededeling gedaan dat afgezien wordt van verdere bestuursrechtelijke handhaving (zie voorbeeldbrief 4).

Negatieve verklaring 
Indien het bedrijf ondanks het opleggen van een last onder dwangsom geen integraal PRTR-verslag indient, geeft het bevoegd gezag op grond van artikel 12.23, vijfde lid, Wm uiterlijk op 30 september een negatieve verklaring af (zie voorbeeldbrief 5). Het afgeven van een negatieve verklaring is een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb. Het bedrijf kan tegen zo'n besluit bij het bevoegd gezag bezwaar maken. Vervolgens kan beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. Pas nadat een besluit in werking is getreden, wordt in het nationale PRTR (zie http://www.emissieregistratie.nl/) een vermelding opgenomen dat een negatieve verklaring is afgegeven (artikel 12.26, eerste lid, in verbinding met artikel 12.24, tweede en zesde lid, Wm).

5.         Inhoud akkoord (d.w.z volledig, consistent en geloofwaardig)?
Artikel 12.20 Wm bevat de basiseisen waaraan het integraal PRTR-verslag moet voldoen. De grondslag voor de aspecten ‘volledigheid', ‘consistentie' en ‘geloofwaardigheid' zijn in dit artikel neergelegd. Bij het verzamelen van de gegevens maakt het bedrijf gebruik van het meet- en registratiesysteem (artikel 2 Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol). Indien het integraal PRTR-verslag onvolledig, niet consistent of niet geloofwaardig is, is er sprake van een overtreding. In gevallen van verschillen, onzekerheden of twijfels aangaande het ingediende PRTR-verslag kan het bevoegd gezag het bedrijf, via de beschikbare tools in het e-MJV, informeel om opheldering vragen.

6.       Voornemenbrief
Indien het integraal PRTR-verslag niet volledig, niet consistent en/of niet-geloofwaarwaardig is, zal het bedrijf gedwongen moeten worden het verslag alsnog aan te passen, te verhelderen of aan te vullen. Wanneer hiervan sprake is laat zich niet universeel beschrijven. Voor de beoordeling is een aantal hulpmiddelen ontwikkeld. Het bevoegd gezag zal bij een niet volledig, niet consistent en/of niet geloofwaardig verslag een voornemenbrief aan het bedrijf zenden waarin hij aankondigt voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen (zie voorbeeldbrief 6).

7.       Aanvulling akkoord? 
Wanneer het bedrijf de overtreding vervolgens beëindigt, wordt aan het bedrijf mededeling gedaan dat afgezien wordt van bestuursrechtelijke handhaving (zie voorbeeldbrief 7). Is dat niet het geval dan wordt de vervolgprocedure in gang gezet.

8.       Opleggen LOD 
Leidt de voornemenbrief niet tot aanpassing, verheldering of aanvulling van de gegevens dan wordt het bestuursrechtelijk traject verder in gang gezet.

Ingevolge artikel 18.2, eerste lid, of artikel 18.2g Wm, in verbinding met artikel 18.7 Wm, of artikel 8.7 Wtwo, in verbinding met artikel 18.7 Wm, wordt een last onder dwangsom aan het bedrijf opgelegd (zie voorbeeldbrief 8).

Bij het opleggen van een last onder dwangsom dient rekening te worden gehouden met het doel van de dwangsom. De hoogte moet voldoende prikkel geven tot naleving van de norm. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het economisch voordeel dat een bedrijf kan hebben bij de overtreding. Het richtinggevend bedrag van de dwangsom bedraagt per dag € 1.000,-, met een maximum van € 14.000,- en een begunstigingstermijn van twee weken.

Wanneer het bedrijf de overtreding vervolgens beëindigt, wordt aan het bedrijf mededeling gedaan dat afgezien wordt van verdere bestuursrechtelijke handhaving (zie voorbeeldbrief 9).

Negatieve verklaring 
Indien een last onder dwangsom geen effect heeft (bijvoorbeeld als het bedrijf na het verstrijken van de begunstigingstermijn geen aanvullende informatie heeft verstrekt), kan het bevoegd gezag op grond van artikel 12.23, vijfde lid, Wm uiterlijk op 30 juni verklaren dat het Integraal  PRTR-verslag niet voldoet aan de gestelde eisen (in de vorm van een negatieve verklaring) zie voorbeeldbrief 10). Mocht het bevoegd gezag nog in afwachting zijn van nadere berichten van het bedrijf dan kan de termijn voor het afgeven van zo'n verklaring uiterlijk op 30 juni worden opgeschort tot uiterlijk 30 september. Het afgeven van een negatieve verklaring is een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bedrijf kan tegen zo'n besluit bij het bevoegd gezag bezwaar maken. Vervolgens kan beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. Pas nadat een besluit in werking is getreden, wordt in het nationale PRTR (zie http://www.emissieregistratie.nl/) een vermelding opgenomen dat een negatieve verklaring is afgegeven (artikel 12.26, eerste lid, in verbinding met artikel 12.24, tweede en zesde lid, Wm). Als er sprake is van een negatieve verklaring, dient het bevoegd gezag dit in de database van het e-MJV aan te geven.